De sprookjes van Grimm tussen orale vertelling en literaire performance
Files
Publication date
2007
Authors
Joosen, Vanessa
Editors
Advisors
Supervisors
DOI
Document Type
Article
Metadata
Show full item recordCollections
License
Abstract
Toen Jacob en Wilhelm Grimm aan het begin van de negentiende eeuw begonnen met het verzamelen
van sprookjes, deden ze dat onder andere met de intentie om een schat aan mondelinge verhalen te
bewaren voor het nageslacht. In de loop van de negentiende eeuw steeg de populariteit van hun
Kinder- und Hausmärchen zowel in Duitsland als internationaal en hun sprookjesverzameling werd al
snel een klassieker, die veelvuldig herdrukt en ruim verspreid werd. Voor de orale vertelcultuur zou het
succes van de gebroeders Grimm zowel positieve als negatieve gevolgen gehad hebben. Enerzijds
duurde het niet lang voor iedereen in Duitsland en ver daarbuiten vertrouwd was met figuren uit de orale
vertelcultuur als Raponsje, Hans en Grietje of de zeven geitjes. Het bereik van de verzamelde
volksverhalen werd fenomenaal uitgebreid en het sprookje veroverde een vaste plaats in de
kinderkamer die het sindsdien niet meer verloren heeft. Anderzijds werden de verhalen van Grimm
aanzien als de ultieme, bijna heilige sprookjesverzameling (Haase 353). Door de toenemende
geletterdheid en de autoriteit die aan de Kinder- und Hausmärchen werd toegeschreven, werden
sprookjes steeds vaker vanuit een boek voorgelezen, en niet meer zo frequent mondeling uit het hoofd
verteld. Hierdoor leek het alsof er nog maar één juiste versie van elk sprookje bestond, en ging er een
rijkdom aan potentiële varianten en creativiteit verloren.