De Harlinger armenvoogden en de beveiliging van de scheepvaart in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw
Publication date
1996
Authors
Spaans, J.W.
Editors
Advisors
Supervisors
DOI
Document Type
Article
Metadata
Show full item recordCollections
License
Abstract
De zorg voor de veiligheid van de scheepvaart, in de vorm van vuurbaken langs de kusten en de markering van ondiepten en vaargeulen, was vanouds een taak van de landsheer. Voor de Noordelijke Nederlanden gold dat al in de late middeleeuwen. De markering van de vaargeulen in de Zuiderzee werd echter van de veertiende tot in de negentiende eeuw door de belanghebbende steden georganiseerd. Na de Opstand bezat Enkhuizen het monopolie op de bebakening van deze binnenzee. De stad plaatste bakens, in de vorm van drijvende tonnen, die met ijzeren kettingen aan een zware ankersteen verbonden waren, en staken die aan de randen van de ondiepten in de zeebodem gedreven werden.[1] Zij hief daarvoor van de passerende steden een vergoeding, het zogeheten paalgeld. Dit vormde een zeer aanzienlijke bron van inkomsten. Over de markering van de Zuiderzee en de heffing van het paalgeld door Enkhuizen is inmiddels een bescheiden hoeveelheid literatuur voorhanden.[2] Het is tot op heden echter onopgemerkt gebleven dat ook Harlingen de toegang tot haar haven exploiteerde. In tegenstelling tot Enkhuizen en haar voorgangers was het hier niet de stadskas, die het onderhoud van de bakens bekostigde en de vergoedingen van de passerende schepen ontving, maar het armbestuur. De rekeningen van dit armbestuur bieden, in combinatie met de Harlinger magistraatsresoluties en verspreide gegevens, inzicht in de geschiedenis van de betonning en haar exploitatie. Dit artikel behandelt het beheer van de Harlinger armvoogden over de tonnen en bakens en is tevens bedoeld om de geschiedenis van de markering van de Zuiderzee, tot nu toe uitsluitend vanuit Hollandse optiek bekeken, met deze Friese gegevens aan te vullen ...