Naar een toekomstbestendige m.e.r., lessen uit 25 jaar m.e.r. in Nederland en een verkenning van kansen en bedreigingen voor de m.e.r. in de nabije toekomst
Publication date
2011
Authors
Runhaar, H.A.C.
Arts, E.J.M.M.
Laerhoven, F.S.J. van
Driessen, P.P.J.
Editors
Advisors
Supervisors
DOI
Document Type
Report
Metadata
Show full item recordCollections
License
Abstract
In 2011 is het 25 jaar geleden dat er in Nederland een wettelijke regeling voor milieueffectrapportage
(m.e.r.) door het Parlement werd aangenomen, die op 1 september 1987 van kracht werd met
de inwerkingtreding van het Besluit m.e.r. In de loop van de tijd heeft de m.e.r.-regelgeving verschillende
veranderingen ondergaan en is ook de context waarbinnen m.e.r. wordt toegepast veranderd.
Vanwege het naderende jubilieum en het feit dat de laatste grootschalige evaluatie van m.e.r. in
Nederland 15 jaar geleden werd uitgevoerd, hebben de Universiteit Utrecht en de Rijksuniversiteit
Groningen, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, een evaluatiestudie uitgevoerd
naar de ervaringen met 25 jaar m.e.r. in Nederland. Wat zijn de percepties uit de praktijk?
De focus in dit rapport ligt op de effectiviteit van m.e.r.: de mate waarin het instrument m.e.r. heeft
bijgedragen aan een volwaardige rol van milieuwaarden in besluitvorming en aan het milieubewustzijn
van initiatiefnemers en bevoegd gezag. Naast effectiviteit speelde ook efficiëntie een rol in de
evaluatie: bereikt het instrument zijn doel met een redelijke inzet van middelen (tijd, geld, capaciteit)?
Dit betreft het belang van snelheid van besluitvorming en beperking van de bestuurlijke en administratieve
lasten voor de overheid en betrokken stakeholders. De evaluatie richtte zich vooral op de rol
van sturingsmechanismen in m.e.r.: manieren om de bij m.e.r. betrokken actoren zodanig te sturen
dat dit leidt tot milieuvriendelijker besluiten en toenemend milieubewustzijn. Sturingsmechanismen
hangen samen met de rollen die betrokken actoren zijn toebedeeld en de (informele) regels die hun
interacties beïnvloeden. In hoeverre draagt bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid voor m.e.r. bij initiatiefnemers
bij aan hun bewustwording van milieuwaarden (‘verinnerlijking’) en het zogenaamde
preventie-effect? En vermindert plan-m.e.r. daadwerkelijk de noodzaak van project-m.e.r.? De feitelijke
uitwerking van sturingsmechanismen hangt uiteraard ook af van andere factoren, zoals de mate
waarin besluitvormers open staan voor milieuwaarden, de kwaliteit van het MER etc. In het onderzoek
zijn dergelijke factoren daarom expliciet meegenomen.