Nieuwe wereldburgers : aantasting van natuur en milieu als vraagstuk van algemene vorming : een zaakpedagogiek
Publication date
1997-06-04
Authors
Praamsma, J.M.
Editors
Advisors
Supervisors
DOI
Document Type
Dissertation
Metadata
Show full item recordCollections
License
Abstract
Deze studie gaat over de Nederlandse natuur- en milieu-educatie (NME). NME staat de laatste jaren volop in de belangstelling. In gesprekken en discussies over NME worden
in het algemeen twee stromingen onderscheiden: de groene en de grijze NME. De
groene NME heeft haar wortels in de natuurbescherming. Het gaat er om dat kinderen
de natuur leren liefhebben en waarderen. Kinderen moeten gemotiveerd raken voor het
behoud van de natuur om de intrinsieke waarde die deze vertegenwoordigt. Het middel
daartoe is de persoonlijke natuurbeleving. In de persoonlijke natuurervaring moet de
liefde voor de natuur ontstaan.
De grijze NME is van andere aard. Deze heeft haar wortels in de milieu-beweging
en richt zich op het voorkomen en verhelpen van milieuproblemen omdat die
de leefbaarheid van de aarde in gevaar brengen. Kinderen moeten leren bij te dragen
aan het oplossen van die problemen. Ze moeten leren zich milieuvriendelijk te gedra-gen.
De middelen die daartoe worden ingezet gaan van het deelnemen aan (al dan niet
politieke) milieu-acties tot het inprenten van milieuvriendelijke gedragsregels.
In recente discussies blijkt dat deze beide concepten van NME twee ontwikke-lingen
doormaken. Enerzijds is een beweging te constateren in de richting van een
omvattend NME-concept waarin de milieu- en de natuurtraditie geïntegreerd zijn, en
anderzijds is er een beweging naar een meer gefundeerde pedagogisch-didactische
verantwoording. In die laatste beweging is er afzonderlijk aandacht voor het pedago-gische
en het didactische aspect
*
.
Zo ontwikkelen zich in de discussie de aanvankelijk nogal tegenover elkaar
gebruikte concepten van NME in de richting van zowel inhoudelijk als pedagogisch-didactisch
meer doordachte en verantwoorde opvattingen van NME. We zullen in het
vervolg spreken van positie A en positie B .
Met betrekking tot de vraag hoe de begrippen natuur (waarin het gaat om
zaken als natuurbeleving en natuurwaarden) en milieu (waarin het vooral gaat om
milieuproblemen en de gevolgen daarvan voor de mens) beide in één concept zijn te
verenigen staan vooral de inhouden van NME ter discussie. In positie A, waarin van
ouds de natuur centraal staat, krijgt ook het milieu een plaats en wel als dat deel van de
natuur dat is aangetast door de mens. Wanneer kinderen de natuur leren liefhebben en
*
Een derde belangrijke beweging heeft betrekking op de implementatie van NME: de
invoering van NME in het onderwijs. Omdat dit geen onderwijsinhoudelijke, maar vooral
bestuurlijk-organisatorische ontwikkeling is, is zij in deze studie buiten beschouwing gelaten.
Waar aspecten van die ontwikkeling een rol speelden in de beide andere grote ontwikkelin-gen
in NME zijn die uiteraard wel ter sprake gebracht.
195?waarderen hoort daar ook zorg voor en verontwaardiging over de aantasting van de
natuur bij. In positie B, waarin het draaide om het milieu, krijgt de natuur een plaats als
dat deel van het milieu waarin de invloed van mensen beperkt is. Kinderen moeten zich
zo leren gedragen dat ook de natuur wordt ontzien want de natuur bezit een eigen
waarde . Om die eigen waarde wordt volgens positie B de natuur door veel mensen
bijzonder gewaardeerd en vervult ze in die zin ook een belangrijke functie in het
leefbaar houden van de aarde.
Met betrekking tot de pedagogisch-didactische verantwoording van NME
worden twee aspecten onderscheiden. In de eerste plaats gaat het om de vraag hoe je
kinderen kunt leren van de natuur te houden of zich milieuvriendelijk te gedragen
zonder hen daarbij te indoctrineren of te manipuleren of anderszins te beïnvloeden op
een wijze die hun ontwikkeling naar mondigheid en zelfstandigheid in de weg staat.
Het gaat dan om de pedagogische verantwoording van NME. Bij positie A ontloopt
men indoctrinatie door te benadrukken dat liefde voor de natuur niet aan te praten is.
Kinderen kunnen alleen zelf, op grond van hun eigen ervaringen, de natuur gaan
liefhebben. Bij positie B wordt indoctrinatie tegengegaan doordat men zich niet richt op
rechtstreekse gedragsbeïnvloeding maar op bewustwording. Kinderen moeten inzicht
krijgen in milieuproblemen en moeten dan zelf afwegen welke consequenties ze daaraan
verbinden voor hun gedrag.
Naast de ontwikkeling in het pedagogische aspect is er ook een ontwikkeling in
het didactische aspect waar te nemen. Er is voor dit laatste punt veel aandacht omdat
hier de vraag naar de effectiviteit van NME centraal staat. Het draait er om de vraag
hoe voorkomen kan worden dat het geleerde een van buiten geleerd lesje wordt dat
geen gevolgen heeft voor het handelen in de alledaagse praktijk. In beide vormen van
NME realiseert men zich dat het daarom belangrijk is aan te sluiten bij de leefwereld
van het kind.
Bij positie A wordt om die reden het belang van de persoonlijke beleving van
de natuur nog eens benadrukt. Waarden en begrippen hebben alleen zin in zoverre ze
iets kunnen bijdragen aan de verruiming en verdieping van die beleving. Bij positie B
zoekt men aansluiting bij het gedrag van kinderen in hun alledaagse leefwereld. NME
moet kinderen leren nadenken over hun eigen gedrag. Waarden en begrip kunnen alleen
iets betekenen als ze opheldering verschaffen over het eigen gedrag van kinderen.
Beide vormen van NME blijken in de discussie steeds te kiezen voor verschillende
antwoorden op de centrale vragen. Het verschil tussen beide blijkt terug te voeren op
fundamentele verschillen in de manier van denken over de mens enerzijds en natuur en
milieu anderzijds.
Bij positie B wordt het milieu opgevat als een groot ecosysteem, waarvan ook
de mens deel uitmaakt. Wil de mens in dat systeem overleven dan zal hij moeten leren
nadenken over de eventuele consequenties van zijn handelen die samenhangen met zijn
196?plaats in dat systeem. De mens verschijnt daarbij als de rationele beslisser die reflec-teert
op en oordeelt over zijn plaats in het milieu.
Bij positie A is de natuur het concrete landschap met zijn planten en dieren,
terwijl de mens de natuur wil leren kennen om haar op waarde te kunnen schatten. De
mens verschijnt als de ontvankelijke waarnemer die probeert de expressiviteit van de
natuur te verstaan en zo de waarden van de natuur te ontdekken.
Beide concepten lijken op het eerste gezicht elkaars tegenpolen te zijn. Elk
heeft zijn eigen mensbeeld en - in het verlengde daarvan - zijn eigen opvoedingsideaal.
In het ene geval is dat de rationele mens die kritisch nadenkt over zijn handelen, in het
andere geval de ontvankelijke mens die afgaat op zijn persoonlijke ervaringen en de
waarden die hij aan die ervaring ontleent.
Toch maakt het feit dat beide vormen van NME verschijnen als elkaars tegen-polen
het niet onmogelijk dat de beide vormen van NME elkaar zouden kunnen aanvul-len
en wel op een tweetal punten. In verschillende wijsgerig-antropologische verhande-lingen
- wij baseerden ons in het bijzonder op het werk van het natuurfilosofisch werk
van Kockelkoren en in wijsgerig-pedagogisch werk van Imelman en Meijer - wordt het
reflexieve en het pre-reflexieve gezien als twee zijden van dezelfde medaille, als twee
aspecten van de menselijke bestaanswijze. Reflectie houdt in dat de mens toeziet op
zijn pre-reflexieve in-de-wereld-zijn, terwijl met dat toezien tegelijk de pre-reflexieve
ervaring zijn onbevangenheid verliest. Wanneer beide aspecten samen te brengen zijn
binnen één antropologisch concept dan zijn aan de hand daarvan ook beide vormen van
NME als elkaar aanvullende pedagogische praktijken te beschouwen, die zich elk
richten op de vorming van één aspect van de menselijke bestaanswijze.
Het tweede punt waarop de beide vormen van NME elkaar aanvullen betreft de
complementariteit van waarderen en handelen. Als de ene vorm zich richt op het
ontwikkelen van liefde voor de natuur en de andere op het nadenken over de conse-quenties
van het eigen handelen kan aan de ene kant de liefde voor de natuur richting
geven aan het nadenken over het handelen, terwijl aan de andere kant de bezinning op
het handelen kan voorkomen dat liefde voor de natuur tot een vorm van krachteloze
sentimentaliteit beperkt zou blijven.
Toch doet zich dan een probleem voor. Bij positie A gaat het om persoonlijke
natuurbeleving. Die persoonlijke ervaring beperkt zich steeds tot de natuur die zich in
de directe omgeving voordoet. Natuurbeleving kenmerkt zich naar haar aard door een
beperkte ruimtelijke schaal, de schaal van het veldwerk of de schaal van de natuur-excursie.
Zo is het niet met de milieuproblematiek waar het bij positie B om gaat. Daar
worden vraagstukken aan de orde gesteld van vaak bovenregionale, soms zelfs internati-onale
of mondiale schaal.
Op het eerste gezicht lijken ook hierin beide vormen van NME elkaar goed aan
te vullen. De laatste vorm van NME plaatst immers de eerste in een context. Maar
wanneer de liefde voor de natuur, die ontwikkeld wordt op een lokaal niveau, richting-gevend
moet zijn voor het handelen dat consequenties heeft op een boven-lokaal niveau
197?ontstaat echter een lastige situatie. Het handelen wordt gestuurd door een betrokkenheid
bij de natuur hier maar de consequenties kunnen betrekking hebben op natuur en
samenleving elders. De vraag ligt voor de hand of er voor een verantwoorde sturing
niet evengoed sprake zou moeten zijn van betrokkenheid bij dat elders. Zo niet dan
dekt de verantwoording van het handelen niet langer het gebied dat de gevolgen van het
handelen ondervindt en ontstaat in die zin een onverantwoorde situatie.
Maar zelfs al zouden beide vormen van NME wel op dezelfde ruimtelijke
schaal opereren, dan nog zouden ze niet bij elkaar aansluiten omdat het bij positie A
alleen gaat over de natuur, terwijl bij positie B in de reflectie op het handelen natuur én
samenleving betrokken wordt. Zou een verantwoorde sturing van die afweging dan niet
naast betrokkenheid bij de natuur ook betrokkenheid bij de samenleving moeten ver-onderstellen?
Maar de beide vormen van NME zíjn niet van gelijke schaal en dat schaal-probleem
wordt nog verergerd omdat in de didactiek van NME het primaat wordt
gelegd bij de leefwereld van het kind. Zelfs bij positie B waar men zich richt op het
nadenken over de gevolgen van ons handelen voor het milieu, stelt men slechts die
inhouden aan de orde die van belang zijn voor het begrijpen van dìt of dàt concrete
probleem uit de alledaagse leefwereld van de leerlingen zonder die problemen daarbij
in een ruimere context van natuur en samenleving te plaatsen. Voor relaties met andere
vraagstukken, ook buiten het domein van natuur en milieu, is dan geen ruimte.
Om een oplossing te zoeken voor de moeilijkheden van de Nederlandse NME gaan we
te rade bij Ligthart, Heimans en Thijsse die rond het begin van deze eeuw een soort
NME-avant-la-lettre ontwikkelden. Deze drie onderwijzers maakten deel uit van de
beweging van de reformpedagogiek, die het vom Kinde aus tot haar motto had
gemaakt. Het drietal onderscheidde zich echter binnen die beweging door de aandacht
die ze desondanks aan de inhoud van het onderwijs gaven.
De aanpak van Ligthart, Heimans en Thijsse verschilt wezenlijk van die van de heden-daagse
NME en wel op twee punten. In de eerste plaats weten ze in levendige vertel-lingen
en gedetailleerde platen een beeld van de natuur op te roepen zoals die zich
voordoet in het vrije veld. De ontmoeting met de natuur wordt zo losgemaakt van de
aanwezigheid in het veld. Natuurbeleving is daardoor mogelijk op een veel ruimere
schaal en blijft niet beperkt tot de directe omgeving. Zodoende doet het schaalprobleem
dat we constateerden zich hier niet voor. Inzicht in milieuproblematiek en waardering
voor de natuur hebben betrekking op dezelfde schaal. In de tweede plaats heeft de
ontwikkeling van betrokkenheid niet alleen betrekking op de natuur maar ook op de
samenleving. Het gaat dan om het begrijpen van de wijze waarop mensen of groepen
mensen vorm geven aan hun bestaan.
Hoe is dit verschil nu te verklaren? Zowel Ligthart, Heimans en Thijsse als de
auteurs van hedendaagse NME worden gedreven door hun bezorgheid over de aantas-198?ting van natuur en milieu. Het verschil in aanpak tussen beide groepen zit in de wijze
waarop zij hun bezorgheid vertalen naar het onderwijs. In NME wordt het maat-schappelijk
probleem rechtstreeks doorvertaald naar de lessituatie. Kinderen moeten
leren de natuur te waarderen dan wel bij te dragen aan het oplossen van milieuproble-men.
De vraag van NME is dan welke didactiek die doelen bereikbaar moet maken.
Voor het leren waarderen van de natuur blijkt dan de persoonlijke natuurervaring het
meest adequaat en voor het leren bijdragen aan de oplossing van milieuproblemen het
reflecteren op het eigen dagelijkse doen en laten.
Ligthart, Heimans en Thijsse pakken de zaak anders aan. Zij maken bij de
vertaling van het probleem naar het onderwijs nog een tussenstap. Zij stellen niet
slechts de didactische vraag hoe kinderen kunnen leren de natuur te waarderen en
milieuproblemen op te lossen, bij hen komt eerst de inhoudelijke vraag welke kennis
kinderen nodig hebben om natuur en samenleving op waarde te kunnen schatten en
welke kennis kinderen nodig hebben om bij te kunnen dragen aan het oplossen van
milieuproblemen. Die tussenstap maken zij via het leerplan. In NME wordt het
probleem direct vertaald naar de lessituatie. Bij Ligthart, Heimans en Thijsse wordt het
probleem eerst vertaald naar het leerplan: aan welke inhoudelijke voorwaarden moet de
leerstof die in het leerplan wordt beschreven voldoen om in het onderwijs inzicht te
geven in de waarde van de natuur en samenleving en de problematiek van het milieu.
Daarna wordt pas de vraag gesteld hoe die inhouden in de didactische situatie aan
kinderen onderwezen kunnen worden. Het gaat dan evenwel niet meer om het leren
waarderen, of om het leren handelen, zoals in de NME, maar om het leren kennen ten
behoeve van het waarderen en handelen.
Door het maken van de tussenstap via het leerplan voeren Ligthart, Heimans en
Thijsse een extra moment van overweging in in de vertaling van problemen van natuur
en milieu naar het onderwijs. Het leerplan is niet het resultaat van een optelling van
afzonderlijke lesprogramma s, maar het product van een inhoudelijke afweging op het
niveau van het totale leerplan. Daardoor kunnen inhoudelijke tekorten van dat onderwijs
voorkomen worden. Op basis van dit inzicht is het aan te bevelen ten behoeve van
natuur en milieu de discussie over NME in Nederland niet verder te voeren op het
niveau van de didactiek, maar op het niveau van het leerplan.
199?200
Keywords
environmental education, education, environment, curriculum, curriculum development, pedagogy, nature, school