Kerkelijke en publieke armenzorg voor en na de scheiding tussen kerk en staat
Publication date
1998
Authors
Spaans, J.W.
Editors
Advisors
Supervisors
DOI
Document Type
Part of book or chapter of book
Metadata
Show full item recordCollections
License
Abstract
De omwenteling van 1795 en de scheiding van kerk en staat in 1796 leidden tot hooglopende discussies over de Nederlandse armenzorg. De opeenvolgende nationale besturen beijverden zich stuk voor stuk in het aandragen van voorstellen om te komen tot wetgeving waarin de armenzorg landelijk uniform geregeld zou kunnen worden. Het heeft vervolgens nog ruim een halve eeuw geduurd voordat er, in 1854, een werkbare armenwet tot stand kwam. De problemen die overwonnen moesten worden waren dan ook niet gering. De armenzorg was onder het ancien régime een plaatselijke aangelegenheid geweest. Elke afzonderlijke stad of dorp had zijn eigen, op de plaatselijke omstandigheden toegesneden, constellatie van kerkelijke, particuliere en algemene armvoogdijen. De bereidheid van de bevolking om aan dit scala van armenvoorzieningen bij te dragen was in Nederland uitzonderlijk hoog. Drastische ingrepen waren nodig om tot uniformering te komen. Drastische ingrepen brachten echter het risico met zich mee dat het draagvlak van de armenzorg, de vrijwillige bijdragen van de bevolking, zou worden aangetast. De hevige discussies, die over deze problemen in de periode 1795-1854 gevoerd zijn, hebben in de geschiedschrijving over de armenzorg in Nederland een prominente plaats gekregen. Ze vormden een fase van vernieuwing en modernisering, waarbij vergeleken de voorgaande periode een onaantrekkelijke indruk van primitieve verwarring oproept. Die voorgaande periode is dan ook in de historiografie onderbelicht gebleven. Ook modernere studies maken zich er vaak nog vanaf met iets in de geest van dat de armenzorg vroeger vooral in handen was van de kerk. De omwenteling van 1795 zou de moderne tijd inluiden, waarin deze staatstaak zou worden. De teneur van dit alles is dat de nieuwe staat de macht van de gevestigde kerk moest breken om tot vernieuwing te kunnen komen.