Inleiding (Gegeven. Ethische essays over het leven als gave)
Publication date
2003
Authors
Boer, Th.A.
Roothaan, A.
Editors
Advisors
Supervisors
DOI
Document Type
Part of book or chapter of book
Metadata
Show full item recordCollections
License
Abstract
De huidige westerse cultuur wordt gekenmerkt door een sterke
nadruk op menselijke autonomie. Letterlijk betekent autonomie
‘jezelf de wet stellen’. Tegenwoordig verstaan we eronder het
vermogen, maar ook de opdracht om je eigen leven actief zelf vorm te
geven. Men spreekt hier wel van een positieve vrijheid, tegenover
negatieve vrijheid als het uitgangspunt dat anderen zich niet met jouw
keuzes mogen bemoeien. In de achttiende eeuw kwam het begrip autonomie naar voren als
principe in de wijsgerige ethiek. Sindsdien heeft het een enorm
emancipatoir effect gehad. Werd het vermogen om het eigen leven
vorm te geven aanvankelijk alleen aan vrije burgers
(belastingbetalers, oftewel: mannen met eigen bezit) toegekend, later
eisten arbeiders en vrouwen het met succes ook voor zichzelf op. In
de moderne tijd zijn we alweer een stap verder, waar kinderen en
mensen met een verstandelijke beperking eveneens zoveel mogelijk
zeggenschap krijgen over wat hen direct aangaat. De voortgaande
emancipatoire werking van het autonomiebegrip moet als een van de
belangrijke verworvenheden van de moderne westerse cultuur
worden beschouwd.
Toch komen in deze tijd ook de beperkingen van dit emancipatoir
effect in zicht. Autonomie vermag geen recht te doen aan de volledige
zelfervaring van mensen.