Wederrechtelijkheid of morele ongeoorloofdheid: welk inzicht moet de ontoerekenbare verdachte ontberen?
Publication date
2019
Editors
Advisors
Supervisors
DOI
Document Type
Article
Metadata
Show full item recordCollections
License
unspecified
Abstract
Het Gerechtshof Den Haag past in de zaak Bart van U. een criterium voor ontoerekenbaarheid toe, op grond waarvan ontbrekend inzicht in de wederrechtelijkheid van het feit tot ontoerekenbaarheid kan leiden. Dit criterium is bekritiseerd, onder andere omdat het lijkt uit te sluiten dat ontbrekend inzicht in de morele ongeoorloofdheid van het feit tot ontoerekenbaarheid leidt. In dit artikel wordt – mede aan de hand van het internationale debat over dit onderwerp – betoogd dat het hof het wederrechtelijkheidscriterium te beperkt interpreteert, namelijk als de vervulling van een delictomschrijving. Een ruimere interpretatie die aansluit bij het element wederrechtelijkheid, maakt het mogelijk om ook morele oordelen van de psychisch gestoorde verdachte in de beoordeling van ontoerekenbaarheid te betrekken.
Keywords
Citation
Bijlsma, J 2019, 'Wederrechtelijkheid of morele ongeoorloofdheid: welk inzicht moet de ontoerekenbare verdachte ontberen?', Delikt en Delinkwent, vol. 2019, no. 10, 61, pp. 801-814.