Naar aanleiding van de Deense cartoons
Publication date
2006
Authors
Jansen, J.J.G.
Editors
Advisors
Supervisors
DOI
Document Type
Contribution for newspaper or weekly magazine
Preprint
Preprint
Metadata
Show full item recordCollections
License
Abstract
Lachen is niet alleen een middel ter geruststelling van een naaste die zich afvraagt wat voor plannen we met hem koesteren. Het is ook de kruipolie die samengaat met het wegvallen van allerlei vormen van vreeswekkendheid. In een Westerse maatschappij is het niveau van het respect voor leiders, waarden en symbolen steeds in beweging, en dat meestal in neerwaartse richting. Dat schept vraag naar humor en lach.
Veranderingen van waarden en normen moeten immers door grappen en grollen begeleid worden, als kerkgezang door een orgel. Dat is hard nodig, om het ongevaarlijke en het niet bedreigende karakter van veranderingen en nieuwigheden te onderstrepen. In de gemeenschappen en maatschappijen van het overwegend islamitische Midden-Oosten is humor een riskante zaak. De machthebbers en hun politieagenten zien het niet graag. Over een dictator die nog leeft wordt niet dan fluisterend gegrapt, en zelfs dat kan levensgevaarlijk zijn. Over godsdienst maak je al helemaal geen grappen hardop. Denemarken is aan het struikelen over een in het Midden-Oosten geprepareerde bananenschil, het toupet valt af, en als onpartijdig vergadervoorzitter van de Veiligheidsraad heeft het land al aan prestige ingeboet nog voordat de vergaderingen over Iran en Syrië geopend zijn. Als dat de beleidsambtenaren van Buitenlandse Zaken in Iran en Syrië niet te lachen geeft, is er niets meer dat hun vrolijk kan maken.