Zelfstandige vaststelling van een psychische stoornis door de strafrechter: waar liggen de grenzen?

Publication date

2021-10-22

Authors

Nauta, E.E.ORCID 0009-0003-5774-1264ISNI 0000000492816866

Editors

Advisors

Supervisors

DOI

Document Type

Article
Open Access logo

License

unspecified

Abstract

In de literatuur is er al herhaaldelijk op gewezen dat het sanctierechtelijk bewijscriterium voor de vaststelling van een psychische stoornis (‘aannemelijk’) op grond waarvan tbs kan worden opgelegd onduidelijk is. Bovendien is onduidelijk welke kwantitatieve en kwalitatieve eisen er moeten worden gesteld aan het (overige) bewijs indien in de gedragsdeskundige rapportage geen stoornis wordt vastgesteld. Een vergelijking van twee recente relevante vonnissen illustreert de weerslag van deze onduidelijkheden in de feitenrechtspraak. Waar de ene rechter meerdere aanwijzingen op psychiatrische problematiek dan wel persoonlijkheidsproblematiek nog onvoldoende vindt om de vaststelling van een ziekelijke stoornis in de zin van artikel 37a Sr te schragen, stelt een andere rechter een dergelijke stoornis vast louter op basis van (het karakter van) het bewezenverklaarde. Zulke grote verschillen in benadering zijn onwenselijk bij de oplegging van een zware maatregel als tbs.

Keywords

Citation

Nauta, E E 2021, 'Zelfstandige vaststelling van een psychische stoornis door de strafrechter: waar liggen de grenzen?', Nederlands juristenblad, vol. 2021, no. 36, 2608, pp. 3018-3023.